In het kader van een stedenbouwkundige vergunningsaanvraag, adviseerde het agentschap Onroerend Erfgoed om een archeologische prospectie met ingreep in de bodem te laten uitvoeren, gevolgd door een opgraving in geval van vondsten.
De archeologische prospectie werd uitgevoerd door Gate bvba in het najaar van 2015. Verspreid over het terrein werden meerdere archeologische sporen aangetroffen. In totaal werden 5 opgravingszones afgebakend.
De oudste sporen zijn gesitueerd in het westen van zone 1, op de hoogste delen van het terrein. Het betreft een relatief ijl patroon van sporen en structuren uit de Metaaltijden. Omwille van de aard en omvang van de sporen betreft het waarschijnlijk een landelijk erf.
Verspreid over het plangebied werden verschillende Romeinse sporen aangetroffen; in zone 2 werd een Romeins wegtracé aangesneden, in zones 3 en 5 werden in totaal drie brandrestengraven aangetroffen. De waardering van deze sporen liet niet toe om ze ruimtelijk met elkaar of met andere structuren te verbinden. De opgraving van deze drie kleinere zones beperkt zich hierdoor in hoofdzaak tot het opgraven van de sporen en structuren die werden aangetroffen bij de prospectie.
De grootste concentratie aan sporen dateert uit de Volle tot Late Middeleeuwen. De sporen manifesteren zich als een soort hoefijzervormige band rondom de gedempte Haandepoel, een natuurlijke depressie in het landschap (zones 1 en 4). Het betreffen duidelijk erfstructuren, mogelijk met een chronologische verschuiving van zone 4 naar zone 1.
De 5 zones meten samen 3,65 ha:
Zone 1: ca. 27 000 m²
Zone 2: ca. 1 000 m²
Zone 3: ca. 100 m²
Zone 4: ca. 7 000 m²
Zone 5: ca. 1 350 m²
Het op te graven areaal wordt echter bepaald op maximaal 3,8 ha, omdat ook buiten de afbakening sporen aanwezig kunnen zijn:
De begrenzing zoals aangeduid op kaart (zie bijlage) is geen harde grens. Indien zou blijken dat bepaalde zones binnen de contour archeologisch minder relevant zijn en omgekeerd, andere archeologische zones zich uitstrekken buiten de contour, kan de afbakening hieraan worden aangepast.
3,8 ha geldt als maximum. Indien bepaalde zones minder waardevol blijken en dus geschrapt worden, kan het uiteindelijke opgravingsareaal kleiner blijken.
Dit vereist van de uitvoerder van de opgraving een flexibele ingesteldheid en een sterke inhoudelijke opvolging.
De vraagstelling van het onderzoek is gericht op het begrijpen van de site in zijn totaliteit, in het bijzonder de interne organisatie van elk sporencluster afzonderlijk, de onderlinge relatie van de onderscheiden structuren in tijd en ruimte, en de relatie tussen de onderscheiden structuren en het omgevende landschap.
Hierbij moeten minimaal volgende onderzoeksvragen beantwoord worden:
— Wat is de landschapstypologische context van het onderzoeksgebied? Wat is de archeologisch relevante geologische en bodemkundige opbouw?
— In hoeverre is de bodemopbouw intact? Is er sprake van bodemdegradatie en/of erosie, en wat vertelt dit over de intactheid van de sporen?
— Is er een microreliëf? In hoeverre komt de huidige situatie overeen met het paleo-reliëf in de vertegenwoordigde periodes en wat kan worden afgeleid over erosie/egalisatie?
— Wat is de landschappelijke ontwikkeling van het plangebied en welke paleolandschappelijke processen zijn van invloed geweest op de menselijke activiteiten voor, tijdens en na de verschillende vastgestelde fasen van gebruik?
— Welke verandering treden in de loop van de tijd op in de vegetatie, de vegetatiestructuur en de openheid van het landschap en wat was de rol van de mens hierbij?
— Wat is de aard, datering en ruimtelijke samenhang van de verschillende elementen van de vindplaats?
— Wat is de onderlinge relatie tussen de onderscheiden zones en structuren, zowel chronologisch als ruimtelijk? Wat is de relatie met de Haandeput?
— Is er sprake van een continuïteit van occupatie en zo ja, hoe kan dit worden aangetoond? Zo nee, wat gebeurt er met het omliggende landschap in de tussenliggende periode?
— Op welke manier is de nederzetting en het omliggende cultuurlandschap ingericht (wegen, verkavelingsgreppels, afsluitingen e.d.)? Is er een directe relatie met het landschap (Haandeput)?
— In hoeverre kunnen er erven en gebouwplattegronden worden herkend en kunnen er uitspraken worden gedaan met betrekking tot de typen plattegronden en functionele en constructieve aspecten van de gebouwen? Is er sprake van herstelfasen? Zijn er aanwijzingen voor interne organisatie binnen de gebouwen?
— Hoe kunnen de verschillende begravingen typologisch worden geplaatst?
— Op welke manier is het cultuurlandschap ingericht dat aan de nederzetting te relateren is?
— Zijn er typologische verschillen merkbaar in de greppels, en zo ja, waaraan zijn deze verschillen gerelateerd? (vb. afbakening vs. afwatering, woonareaal vs landbouwareaal,.)
— Tot welke vondsttypen of vondstcategorieën behoren de vondsten, en wat is de vondstdichtheid?
— Wat is de conserveringsgraad van de verschillende materiaalcategorieën (inclusief eventueel aanwezig archeobotanisch en archeozoölogisch materiaal)? Zijn er verschillen op te merken binnen de vindplaats?
— Welke typologische ontwikkeling maakte het aardewerk door in de aangetroffen fasen? In hoeverre zijn (chrono)typologieën met betrekking tot aardewerk en andere materiaalcategorieën uit aangrenzende regio's toepasbaar? Welke overeenkomsten en welke verschillen zijn aanwijsbaar?
— Is er sprake van culturele invloeden vanuit andere gebieden? En zo ja: van waar en welke invloeden?
— Zijn er indicaties voor handelscontacten met andere regio's?
— Zijn er aanwijzingen voor chronologische verschuivingen binnen bepaalde ensemble's in een erf/vindplaats?
— Is er sprake van begravingen en zijn deze geclusterd in een zone? Hoe verhoudt het funerair landschap zich ten opzichte van het nederzettingslandschap?
— Wat kan er op basis van het anorganische vondstmateriaal gezegd worden over de functionele indeling van de site, de materiële cultuur en de socio-economische positie van de nederzetting? Zijn er aanwijzingen voor chronologische verschuivingen?
— Wat kan er op basis van het organisch vondstmateriaal gezegd worden over de functionele indeling, het voedselpatroon en de bestaanseconomie binnen de nederzetting? Welke cultuurgewassen werden in de verschillende bewonings- en gebruiksfasen verbouwd?
— Zijn er indicaties voor veeteelt en zo ja, van welke diersoorten?
— Hoe past de vindplaats binnen het regionale landschap uit de vertegenwoordigde periodes? Zijn deze vergelijkbaar met andere soortgelijke vindplaatsen uit eenzelfde periode in de regio (of wijzen de resultaten op een specifieke functie of specifieke omstandigheden binnen de nederzetting?